Verhalen van toen
23 augustus 2010
Verhalen over het Apeldoorns Kanaal van schippersdochter Marie Hille-De Jong
Marie de Jong werd geboren in Kampen in 1913 en was de jongste dochter van schipper Gerrit Jan de Jong uit Heerde die een beurtvaartdienst had op Kampen met het zeilschip “Eendracht”.
Toen we nog met onze ouders voeren op de “Eendracht”, vertrokken we ’s maandags uit Apeldoorn naar Kampen.
Langs het Apeldoorns Kanaal waren veel winkeltjes en daar moesten we dan tabak, sigaren en koffie en thee van Kanis en Gunnink voor mee brengen,. Die winkeliers riepen dan van verre: “De Jong, ‘k heb een bestelling, pak je ’t briefje even aan?”
Maandagavond lagen we dan bij de Berghuizer Papierfabriek in Wapenveld.
De volgende morgen laadden we daar grote en kleine papierrollen. Dinsdagmiddag vertrokken we dan naar Kampen. In Kampen werden de papierrollen overgeslagen in de grotere schepen die naar Amsterdam en Rotterdam voeren over de Zuiderzee. Tegelijkertijd ging moeder de bestellingen van winkeliers, en dat waren er vaak veel, naar de kantoren brengen. ’s Woensdags werden de bestellingen dan aan boord gebracht en voeren we terug naar Apeldoorn. Donderdags werden de bestellingen bij de diverse winkeliers afgegeven.

De “Eendracht” bij de Manenbergerbrug in Wapenveld
In Apeldoorn laadden we elke vrijdag mais, soms gerst, uit kleinere zeilschepen. Deze lading was bestemd voor meerdere afnemers langs het kanaal. Oom Rein (de Jong) ging dan op de fiets naar die mensen toe en die kwamen de lading dan met paard en wagen van het schip halen. Verder verkocht mijn vader via een bezembinder bezems en stalbezems. Voor de huishouding waren er ook kleine bezems en boenders om bv. aangebakken spullen mee uit te schrobben en om de klompen van vader, oom Rein en oom Gerrit met groene zeep schoon te boenen.
In Kampen was het werd stukgoed geladen en vaders eigen handel hooi laden en bij Cramer en Krans namen we allerhande soorten hout mee voor de “timmerman” en eigen handel (grit voor de kippen, ook wel schelpen, wat ze daar mee deden weet ik niet). Dan van woensdag of donderdagnacht weer uit Kampen geladen en wel over de IJssel naar Hattem. Daar werd eerst het hout gelost, meestal voor Van der Ziel bij de brug in Hattem, vervolgens naar Wapenveld, papier laden bij de Berhuizer Papierfabriek. Dat namen we mee voor Wiepking. Die voer met 4 schepen op Rotterdam en dus was het weer overladen.
We waren met 5 personen op ons schip.
Vader en moeder in de bedstee, ik in de andere bedstee en oom Rein en oom Gerrit achterin, ook ieder in een bedstee. O ja, die mais, enz. in Apeldoorn was voor Van Bree. Die had 5 knechten die de mais in zakken schepten en wogen (75 kg per zak). Eén, de oudste denk ik, woog altijd, de andere 4 broers schepten de zakken vol, één zak open houden, de andere hem vol scheppen en twee liepen de ruimtrap op en af om de zakken op de wagen aan de wal te zetten. Die vier losten elkaar steeds af om weer een beetje bij te komen van die zware zakken op hun rug en tussen die tijden dat er geen wagens waren, werden wij geladen, maar dat werd met de lier gedaan dus hoefden ze niet te sjouwen.
Eens was er een maisschip, zoals wij het altijd zeiden, en die had kippen aan boord. Toen zei vader: ”Man, wat moet je toch met kippen aan boord?” Het antwoord was: “Dan heb je onder ’t varen ook nog eens een vers eitje.” Vader zei toen: “Een vrouw en een kip zijn de pest op een schip!” De vrouw van die schipper hoorde dat en werd me toch boos! Toen zei vader: “Maar er is nog meer: Want een man zonder vrouw is als een schip zonder roer.” Toen klaarde haar gezicht weer wat op.
De maïsschippers, de gebroeders Van de Gronde, en de weger kregen meestal om ongeveer 9 uur koffie, omdat ze ’s morgens om 7 uur al begonnen, soms ook niet en dan kwamen ze bij moeder vragen of ze een kan koffie kregen, dat was een grote kan ging koffie suiker en melk in en voor iedereen een kopje en ‘s middags thee die kopjes gebruikten wij zelf nooit, die waren alleen voor hen.
Als we uit Apeldoorn vertrokken, dan schreef vader in een schrift wat we geladen hadden en wat het het transport kosten moest. Moeder ging dat ’s avonds in ’t kasboek overschrijven en een maal per drie maanden werden de rekeningen uitgeschreven en ging moeder naar de kantoren van de tabaksleveranciers en Kanis en Gunnink om geld te halen. Ondertussen meteen boodschappen halen. Die zette moeder dan op de bank in het vooronder.
Sommige brugwachters hadden een zgn. 1½ brug. Als je uit Apeldoorn kwam ging die brugwachter mee tot de volgende brug (tussenbrug) om die op te halen. Kwam je uit de richting Hattem en ging de brugwachter van de eerste brug vóór de tussenbrug mee. De brugwachter van de eerste brug na Apeldoorn was Van de Put en de andere brugwachter was vrouw De Ruiter. Van de Put had een fiets, maar vrouw De Ruiter moest altijd een behoorlijk eind lopen. Dan zei mijn vader : “Een beetje zachtjes aan varen hoor, anders moet het arme mens zo hard lopen”. Maar oom Rein deed dat meestal niet en dan gooide ’t arme mens d’r klompen uit, want op kousenvoeten ging het vlugger. Toen zei oom Rein eens een keer tegen haar: ”Je moet leren fietsen.” “Ja, ja,” was haar antwoord en zowaar, een hele tijd later had ze een fiets en toen vroeg oom Rein haar: “Gaat het al een beetje?”. “Ja, ja,” zei ze. Weer een poosje later vroeg oom Rein haar: “Vrouw De Ruiter, kunnie al umme kieken?” Ze keek om en riep: ”Wat zeggie?”, waarop ze met haar stuur naar links pardoes de sloot inreed.Wat hebben we gelachen, maar vader was behoorlijk kwaad!
’s Maandagsmorgens vertrokken we dus uit Apeldoorn richting Hattem. Op zekere dag lag ergens onderweg een schip, geladen met turf met een oud schippersechtpaar. Vader zei: “Doe een beetje kalm aan bij die oude mensen.” Zelf ging hij binnen in de roef in z’n schrift adressen zitten schrijven. Oom Rein stond aan het roer, dus vader had z’n waarschuwing niet voor niks gegeven. De oude schipper heette Jan Oele. Z’n vrouw moest altijd mee helpen met varen en was heel erg bang voor d’r man, die een lastige brompot was. Opeens moesten we hard afstoppen en zei vader tegen mij: ”Ga es kijken wat er is.” Dus ik naar boven en ik zie iets in ’t water drijven. Ik dacht dat er een hondje in ’t water lag.
Direct daarna komt Rein en zegt tegen vader: “Oele ligt overboord.” “Wat duvelse jongen, ‘k heb je nog zó gezegd, vaar er langzaam voorbij.” (een varend schip heeft zuigkracht), riep vader.
Wat was er nu gebeurd? De oude Oele was de achterkant van z’n schip aan het schilderen, dus hij lag over de rand van z’n schip en een zeilschip heeft een helmhout aan het roer. Terwijl wij er langs voeren vloog dat helmhout door de zuiging tegen Oele z’n achterwerk en kieperde hij overboord.
Maar ik had wat harigs in het kanaal gezien en dacht dat het een hondje was. Maar Oele had, als het koud was, een soort bontmuts op en die mensen hadden altijd van die dikke kleren aan, dus was het een heel karwei voor we hem weer op de kant hadden. En z’n vrouw maar jammeren: “O Jan, ik kan ’t niet helpen!” Oei, oei, wat was m’n vader kwaad op Rein! Later hebben we er vreselijk om gelachen, vooral toen om Rein vertelde hoe Oele met dat helmhout een klap voor z’n kont kreeg en in ’t kanaal plonsde.
Veel concurrentie hadden wij naar Kampen niet, wél op het Apeldoorns Kanaal. Maar niet veel. Wij vervoerden altijd veel mais in zakken voor Van Bree. Toen kwam er ineens een schip bij dat ook mais wilde vervoeren.
Nou, op een keer kwam een van de drie ongetrouwde broers van Van Bree bij vader en zei: “De Jong, Scheurs, die andere schipper, wil de balen mais voor 5 cent per stuk meenemen. Als jij dat ook doet, geef ik ze met jullie mee.” Normaal kregen wij voor een baal van 70 kg één dubbeltje. “Nou,” zei vader, ”ik doe het voor niet minder.” “Nou, dan krijg je het niet,” was het antwoord. Toen zei vader: “Dan varen wij er wel leeg achter aan.” En zo gebeurde. Maar een van onze jongens ging altijd al, voor we op de plaats van bestemming kwamen, op de fiets de mensen waarschuwen dat we er aan kwamen, dan konden ze met paard en wagen de balen mais komen halen. De balen werden dan met een lier vanuit het ruim op de wagens geladen. Die andere schipper loste de balen echter op de loswal, dus moesten de mensen voor wie de lading bestemd was de balen eerst zelf van de grond optillen. Dus dat duurde maar heel kort, want dat stond de mensen helemaal niet aan. Vader zei al: “Die man houdt het toch niet vol.” En zo waar, hij was met schip en al zo weer verdwenen.
Al heel gauw kwam Van Bree vragen of wij de mais weer mee wilden nemen. “Best,” zei m’n vader,”maar niet voor 5 cent.” Maar dat hoefde ook niet. Bovendien wachten we op de klanten en kon alles weer met de lier op de wagens geladen worden. Dit alles wel voor het oude tarief van een dubbeltje, natuurlijk.
Dan was er in Zuuk een heel arm gezin dat onze te kleine kleren kreeg. Dan werd er op de hoorn geblazen en kwam de moeder met een heel stel kinderen aan ’t kanaal en werd er in een touw gebonden pak kleding aan de wal gegooid. In de zomer werden we dan als dank bedolven onder appels, peren en pruimen.



